RDW medewerker ontslagen als gevolg van laakbaar gebruik van administratieve systemen

  • 16-02-2011

RDW (verder: verweerder) heeft met toepassing van artikel 123, eerste lid, aanhef en onder i, van het Rechtspositiereglement RDW aan eiser per 1 april 2009 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

De rechtbank toetst de opgelegde straf vol op rechtmatigheid. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of verweerder bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen die worden gesteld door het evenredigheidsbeginsel. 
Eiser heeft betoogd dat het besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd omdat de bezwaren onweersproken zijn gebleven. Verder blijkt niet dat verweerder het advies van de Adviescommissie aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. 
De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 3 november 2009 is vermeld dat verweerder het bij het besluit gevoegde advies van de Adviescommissie integraal heeft overgenomen. 
De aan een deugdelijke besluitvorming te stellen eisen brengen met zich dat wanneer een bestuursorgaan in het kader van zijn besluitvorming een advies inwint, hij zich op grond van de beschikbare gegevens zelfstandig een oordeel dient te vormen, in welk verband hij zich mede ervan dient te vergewissen dat aan de totstandkoming en de conclusies van dat advies geen zodanige gebreken kleven dat het besluit niet, althans niet zonder meer, op dat advies mag worden gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de Adviescommissie voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu daarin de relevante feiten zijn opgenomen, de standpunten van partijen zijn weergegeven en de overwegingen zijn weergegeven waarop de conclusie en het advies zijn gebaseerd. Gelet hierop heeft verweerder kunnen volstaan met te verwijzen naar dit advies. Dit betoog slaagt niet.

Verweerder heeft aan zijn besluit van 3 november 2009 ten grondslag gelegd dat eiser op 17 september 2008 door een combinatie van handelingen het gevolg heeft gehad dat de betaling van de op 17 september 2008 verrichte keuring niet meer te traceren is in het financiële systeem. Niet meer is te achterhalen welke dienst het RDW heeft geleverd en welke betaling daartegenover diende te staan.

De rechtbank acht, gelet op hetgeen verweerder hieromtrent heeft aangevoerd, genoegzaam aannemelijk dat er op het tijdstip dat eiser de kwitantie handmatig heeft uitgeschreven, geen sprake is geweest van een printerstoring op grond waarvan eiser genoodzaakt was handmatig een kwitantie uit te schrijven. Eiser heeft verder geen deugdelijke verklaring gegeven waarom hij, in afwijking van de gebruikelijke en voorgeschreven werkwijze, het beoordelingsresultaat op de keuringskaart van ‘CK’ in ‘GG’ heeft gewijzigd. Evenmin heeft hij een plausibele reden gegeven waarom hij in BIAS 17 heeft gewerkt voor deze aanpassing in plaats van in BIAS 37, terwijl hij wist dat BIAS 17 uitsluitend na de financiële verantwoording/betaling en afwikkeling van het dossier mag worden gebruikt om eventuele fouten te herstellen of correcties aan te brengen. Op de door verweerder overgelegde camerabeelden van deze verwerking is niet gebleken van een niet geslaagde verwerking in BIAS 36 ten gevolge van een printerstoring of, terwijl de klant wachtte, van een opnieuw opstarten van de computer zoals eiser in zijn zienswijze van 24 september 2008 hierover heeft vermeld. Van enige drukte of hectiek is evenmin gebleken. Verder heeft eiser geen deugdelijke verklaring kunnen geven waarom hij het keuringsresultaat op de keuringskaart heeft gewijzigd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn verweer dat zijn handelwijze is ingegeven door klantvriendelijkheid.

De rechtbank is gelet op de aard en de ernst van de gedragingen, alsmede de gevolgen daarvan, van oordeel dat verweerder de handelwijze van eiser terecht heeft aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat er door gebruik te maken van gefingeerde initialen keuringsafspraken door eiser zijn gemaakt. Het maken van afspraken behoorde niet tot eisers taak. De rechtbank acht hiermee, alleen al door het gebruik van gefingeerde initialen, sprake van plichtsverzuim. 
De rechtbank is voorts van mening dat eiser in strijd gehandeld heeft met de richtlijnen en er sprake is van plichtsverzuim doordat er in eisers bureaublok diverse documenten zijn aangetroffen die betrekking hebben op voertuig- en eigenaargegevens, verkregen uit de systemen BIAS en Visyr.

Eiser heeft betoogd dat het plichtsverzuim niet toerekenbaar is omdat hij al geruime tijd overspannen is en op psychische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Deze decompensatie manifesteerde zich toen hij nog aan het werk was. 
De rechtbank stelt vast dat eiser zich eerst 20 januari 2009 ziek heeft gemeld. Voorts blijkt uit de door eiser overgelegde brief van Altrecht van 2 juli 2009 dat eisers psychische klachten zijn ontstaan na de schorsing van zijn werkzaamheden in september 2008. Aan dit schrijven kan de rechtbank geen aanknopingspunten ontlenen voor het oordeel dat het plichtsverzuim niet toerekenbaar zou zijn.

De vraag of verweerder bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het eiser verweten plichtsverzuim zodanig ernstig is dat de opgelegde straf niet onevenredig is te achten. Eiser heeft het vertrouwen dat de RDW in hem moet kunnen stellen, ernstig beschaamd. Van een ambtenaar in zijn functie mag worden verwacht dat deze zich onthoudt van gedragingen die zijn integriteit en betrouwbaarheid - en daarmee die van de RDW - ondermijnen. Eiser heeft door zijn manipulaties afbreuk gedaan aan de kerntaak van de RDW, te weten het waarborgen van de veiligheid op de weg.

LJN: BP3805, Rechtbank Utrecht , SBR 09/3037

 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid