Politieagent raadpleegt ten onrechte gegevens uit vertrouwelijke politie-informatiesysteem

Plaats en datum: rechtbank Alkmaar, 15 december 2011

URL: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU9499

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft werkgever betrokkene de straf van ontslag opgelegd, met de bepaling dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd indien betrokkene zich gedurende een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van uitreiking van het besluit, niet schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Daarnaast heeft werkgever betrokkene medegedeeld dat hij in het belang van de dienst wordt geplaatst in de functie van medewerker Basispolitiezorg (BPZ) A binnen afdeling [afdelings naam] met plaats van tewerkstelling [plaatsnaam]. Dit brengt met zich mee dat betrokkene ten gevolge van deze verplaatsing de rang van hoofdagent heeft. Zijn bezoldiging blijft ongewijzigd.

Betrokkene was in het korps van werkgever werkzaam in de functie van medewerker BPZ B met het taakaccent wachtcommandant te [plaatsnaam 2]. Naar aanleiding van een melding van de politie Groningen, inhoudende dat een medewerker van de regiopolitie Noord-Holland Noord vermoedelijk informatie had verkregen uit het systeem van de politie Groningen, is een oriënterend onderzoek gestart met als doel te onderzoeken of er politie-informatie ter beschikking is gesteld aan derden. Van het uitgevoerde onderzoek is op 21 oktober 2009 rapport opgemaakt. Uit het onderzoek is gebleken dat betrokkene informatie uit politiesystemen heeft opgevraagd en heeft verstrekt aan derden. Aansluitend is een disciplinair onderzoek ingesteld met als doel feiten en omstandigheden te onderzoeken, zodat beoordeeld kan worden of en in welke mate sprake is geweest van het ongeoorloofd bevragen en verstrekken van informatie uit politiesystemen en plichtsverzuim gepleegd door betrokkene. Van dat onderzoek is op 16 november 2009 rapport opgemaakt. 
Uit de onderzoeken is gebleken dat betrokkene informatie heeft ingewonnen over de nieuwe partner van de beste vriendin van betrokkenes vriendin, een en ander naar aanleiding van een ‘onderbuikgevoel’ bij betrokkenes vriendin. Vanwege hetgeen betrokkene op internet heeft gevonden over de betrokkenheid van die nieuwe partner bij een oplichtingzaak heeft betrokkene hierover navraag gedaan bij het DIK (Districtelijk Informatie Knooppunt) in [plaatsnaam 2]. Naar aanleiding van de verkregen informatie heeft betrokkene contact gezocht met de politie in Groningen. In deze contacten heeft betrokkene zich bekend gemaakt als wachtcommandant te [plaatsnaam 2]. Betrokkene heeft informatie verkregen over de nieuwe partner. Ook heeft betrokkene de NSISList (Nationaal Schengen Informatiesysteem Landelijk Informatie Systemen) geraadpleegd om informatie op te vragen over de nieuwe partner en diens ex-vrouw. De aldus verkregen informatie heeft betrokkene met zijn vriendin gedeeld. Vervolgens heeft betrokkene deze informatie gedeeld met de vriendin van zijn vriendin.

Ten aanzien van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim overweegt de rechtbank dat de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende feitelijke aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat betrokkene, onder bekendmaking van zijn hoedanigheid als wachtcommandant te [plaatsnaam 2], politie informatiesystemen heeft geraadpleegd of middels collega’s heeft doen raadplegen teneinde ten behoeve van de privédoeleinden informatie te verkrijgen. De aldus door betrokkene verkregen informatie heeft betrokkene vervolgens gedeeld met derden. Door aldus te handelen heeft betrokkene de op hem rustende plicht tot geheimhouding geschonden. Daarmede staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Werkgever was derhalve bevoegd om aan betrokkene een disciplinaire straf op te leggen als bedoeld in artikel 76 van het Barp. 

 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de door werkgever opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar evenredig kan worden geacht aan het vastgestelde plichtsverzuim. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat aan het ambt van politieambtenaar en in het bijzonder aan een leidinggevende binnen de politieorganisatie hoge eisen gesteld moeten worden betreffende integriteit en betrouwbaarheid. Op grond van betrokkenes functie is hem toegang verleend tot politie-informatiesystemen, waartoe de burger geen toegang heeft. Die toegang is betrokkene verleend teneinde de hem opgedragen werkzaamheden op adequate wijze te verrichten. Door middels de politie informatiesystemen informatie te verzamelen voor privé- doeleinden en die informatie vervolgens met derden buiten de politieorganisatie te delen, heeft betrokkene zich niet gedragen zoals van hem als betrouwbaar en integer politieambtenaar mocht worden verwacht. In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene opgelegde disciplinaire straf evenredig is aan het aan betrokkene verweten plichtsverzuim.

Aan betrokken is, naast de hem opgelegde straf, op grond van artikel 64 van het Barp een ordemaatregel opgelegd. Die ordemaatregel bestaat uit een verplaatsing van [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam] en een plaatsing in de functie van medewerker BPZ A met de daaraan verbonden rang van hoofdagent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft werkgever door de plaatsing in de functie van medewerker BPZ A en het verlies van de rang van brigadier gehandeld in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel nu de nadelige gevolgen van het besluit voor betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid