- Publicaties
- Literatuurlijsten
- Jaarboek
- Praktijkvoorbeelden
- Instrumenten
- Onderzoek
-
Jurisprudentie
- Financiële schendingen
- Misbruik positie en belangenverstrengeling
- Lekken en misbruiken van informatie
- Misbruik van bevoegdheden
- Misbruik geweldsbevoegdheid
- Ongewenste omgangsvormen
- Misbruik bedrijfsmiddelen en overtreding interne regels
- Misdragingen in privésfeer
- Onderzoek, (straf)maat, screening
- Klokkenluiden
- Wet- en Regelgeving
- Officiële Bekendmakingen
- Speeches en Presentaties
Politieagent raadpleegt ten onrechte gegevens uit GBA
Plaats en datum: rechtbank Alkmaar, 15 december 2011
URL:
http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU9554
Bij besluit van 28 juni 2010 heeft werkgever aan betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met dien verstande, dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien betrokkene zich niet gedurende een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de straf plaatsvindt, noch aan enig ander plichtverzuim. Bij hetzelfde besluit van 28 juni 2010 heeft werkgever betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) verplaatst naar een functie in de basispolitiezorg bij de afdeling De Waerd.
Betrokkene is sinds 1982 in dienst van de politie. Vanaf de maand juni 2007 is betrokkene in de rang van brigadier als [naam functie] werkzaam bij het Decentrale Informatie Knooppunt (DIK) voor West-Friesland te Hoorn. Op 18 september 2009 is door de zuster van betrokkene een klacht ingediend, waarin zij onder meer heeft gemeld dat zij van haar vader heeft vernomen dat betrokkene kennis draagt van het feit dat haar echtgenoot elders woont. De zuster van betrokkene heeft daarbij aangegeven, dat betrokkene dit alleen kan weten omdat hij het in de hem als politiemedewerker ter beschikking staande systemen heeft opgezocht. Op grond hiervan heeft werkgever op 8 januari 2010 opdracht gegeven tot het instellen van een oriënterend onderzoek. Naar aanleiding van de resultaten van het oriënterend onderzoek heeft werkgever op 15 januari 2010 opdracht gegeven tot het instellen van een disciplinair onderzoek. Op 18 februari 2010 is van het onderzoek rapport opgemaakt.
Uit het onderzoek is gebleken dat betrokkene bevoegd is een uitgebreide bevraging van de systemen uit te voeren. Tevens is betrokkene geautoriseerd voor het niveau “geheim”, wat inhoudt dat hij ook adresgegevens kan inzien die door de ingeschrevene als geheim zijn aangemerkt. Als [naam functie] is betrokkene bevoegd tot het uitgebreid raadplegen van het systeem Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Betrokkene heeft de systemen geraadpleegd en heeft daarbij gezien dat zijn zuster en zwager gescheiden waren.
Op 13 september 2009 heeft betrokkene zijn vader bezocht. Betrokkene heeft zijn vader verteld dat zijn zuster gescheiden was, waarop zijn vader verbaasd heeft gereageerd. Naar aanleiding van de verbaasde reactie van zijn vader heeft betrokkene bewust opnieuw het GBA geraadpleegd teneinde te verifiëren of hij het eerder goed gezien had.
Ten aanzien van het aan betrokkene verweten ernstig plichtsverzuim overweegt de rechtbank dat de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende feitelijke aanknopingspunten bieden voor de vaststelling, dat betrokkene de hem als [naam functie] ter beschikking staande politieinformatiesystemen meer keren heeft geraadpleegd teneinde informatie te verkrijgen over de burgerlijke staat en/of de woonsituatie van zijn zuster. Betrokkene heeft door op die manier te handelen de informatiesystemen geraadpleegd ten behoeve van privédoeleinden. De door betrokkene verkregen informatie heeft hij vervolgens gedeeld met een derde. Door aldus te handelen heeft betrokkene de op hem rustende plicht tot geheimhouding geschonden. Daarmede staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Werkgever heeft het handelen van betrokkene voorts terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt. Werkgever was derhalve bevoegd om aan betrokkene een disciplinaire straf op te leggen als bedoeld in artikel 77 van het Barp. De stelling van betrokkene dat hij bij zijn handelen het belang van de politie op het oog had, kan – wat daar ook van zij – niet tot een ander oordeel leiden. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van betrokkene dat hij niet de intentie zou hebben gehad om de privacy van zijn zuster te schenden. Kernpunt in het door werkgever aan betrokkene gemaakte verwijt is immers het feit dat betrokkene de hem ter beschikking staande informatiesystemen heeft geraadpleegd terwijl die raadplegingen geen relatie hadden met de uitoefening van zijn functie van [naam functie] en dat hij de verkregen informatie vervolgens heeft gedeeld met een derde buiten de politieorganisatie. Betrokkene wist of had moeten weten dat hij met deze handelswijze inbreuk maakte op de privacy van zijn zuster en zwager.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beatwoorden of de door werkgever opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar evenredig kan worden geacht aan het vastgestelde plichtsverzuim. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat aan het ambt van politieambtenaar en in het bijzonder aan een functionaris die binnen de politieorganisatie belast is met informatiecoördinatie hoge eisen gesteld moeten worden betreffende integriteit en betrouwbaarheid. Op grond van betrokkenes functie is hem toegang verleend tot politie informatiesystemen, waartoe de burger, noch de daartoe niet gekwalificeerde politieambtenaar toegang heeft. Die verdergaande toegang is betrokkene verleend teneinde de hem opgedragen werkzaamheden op adequate wijze te verrichten. Door middels de politie informatiesystemen informatie te verzamelen voor privé doeleinden en die informatie vervolgens met een derde buiten de politieorganisatie te delen, heeft betrokkene ervan blijk gegeven zich niet te hebben gedragen zoals van hem als betrouwbaar en integer politieambtenaar mocht worden verwacht.
In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene opgelegde disciplinaire straf evenredig is aan het aan betrokkene verweten plichtsverzuim.
