PI-medewerker heeft contacten in criminele circuit

Plaats en datum: rechtbank Amsterdam, 8 december 2011

URL: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU7934

Betrokkene is met ingang van 3 oktober 2005 tot uiterlijk 1 juli 2006 aangesteld als bewaarder in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor slechts een tijdelijk beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan, op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c ARAR, bij het Projectbureau Dienst Justitiële Inrichtingen-Pool van het Ministerie van Justitie, thans Ministerie van Veiligheid en Justitie. Betrokkene verrichtte haar werkzaamheden op de detentieboten in Rotterdam. Deze aanstelling is verlengd tot 3 oktober 2008. Op haar verzoek is betrokkene bij besluit van 27 maart 2007 met ingang van 1 maart 2007 overgeplaatst naar de functie van groepsleider bij de justitiële jeugdinrichting [naam jeugdinrichting]. Eind september 2007 heeft Bureau Integriteit en Veiligheid vernomen dat betrokkene op 5 september 2007 door de politie als verdachte is aangehouden en verhoord in verband met verdenking van overtreding van de Opiumwet. Op 28 september 2007 is betrokkene daarover gehoord door haar leidinggevenden en is haar met onmiddellijke ingang de toegang tot de inrichting ontzegd. 

Bij brief van 31 januari 2008 is aan betrokkene het voornemen meegedeeld om haar dienstverband tussentijds te beëindigen. De officier van justitie heeft in mei 2008 aan betrokkene meegedeeld dat hij afziet van vervolging, omdat er onvoldoende wettig bewijs is. Nadat betrokkene was gehoord, is haar dienstverband bij besluit van 16 juni 2008 op grond van artikel 95, tweede lid, van het ARAR beëindigd met ingang van 16 september 2008. Het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit is bij het besluit van 6 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat betrokkene niet geschikt is en niet voldoet aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen voor een goede functievervulling als groepsleider binnen een justitiële jeugdinrichting.

De Raad staat voor de vraag of de tussentijdse beëindiging van de tijdelijke aanstelling van betrokkene in rechte stand kan houden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 2 juni 2005, LJN AT6806) kan een dergelijk ontslag op grond van artikel 95, tweede lid, van het ARAR op elke redelijke grond worden verleend.

Naar het oordeel van de Raad heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat betrokkene niet heeft voldaan aan de hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid die aan een medewerker van een justitiële inrichting worden gesteld. Door geen melding te maken van de aanhouding en verdenking van het hebben van vergaande contacten in het criminele circuit en van het afnemen van cocaïne, heeft zij het vertrouwen dat de minister in haar moet kunnen stellen, ernstig geschaad. Voorts heeft betrokkene om haar schulden te kunnen voldoen, seksuele diensten verleend tegen betaling in contanten of tegen betaling van achterstallige huur of boodschappen. Betrokkene heeft zich daarmee in een chantabele positie gebracht en vormde een veiligheidsrisico voor haar werkgever. Dat betrokkene haar echte naam en haar werkplek bij justitie niet heeft genoemd tegen haar contacten en dat zij niet daadwerkelijk is gechanteerd, kan daar niet aan afdoen, omdat de kans dat dit wel zou gebeuren geenszins ondenkbeeldig is. Voorts heeft de minister in redelijkheid gesteld dat het gedrag van betrokkene allerminst past bij een groepsleider, van wie verwacht wordt dat ze een belangrijke rol heeft in de begeleiding van de jeugdigen, in dit geval jongens tussen 12 en 23 jaar, die tijdelijk aan haar zorg en verantwoordelijkheid waren toevertrouwd. De Raad acht ook het standpunt dat betrokkene haar problemen heeft opgelost op een wijze die niet past bij iemand die bij justitie werkzaam is niet onbegrijpelijk. De stelling van betrokkene ter zitting van de Raad dat de schuld ongeveer € 5.000,- bedroeg, volgt de Raad niet. In het proces-verbaal van 5 september 2007, dat door betrokkene is ondertekend, is vermeld dat betrokkene heeft verklaard een schuld van € 10.000,- à € 15.000,- te hebben en de minister heeft in dus van dat bedrag uit mogen gaan.

De Raad is van oordeel dat de minister betrokkene op redelijke gronden ontslag heeft verleend. De omstandigheden dat betrokkene spijt heeft betuigd en zij hetgeen haar wordt verweten deed om haar leven financieel op orde te brengen en een goede toekomst te kunnen bieden aan haar zoontje, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister van ontslag had moeten afzien.

 
 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid