Medewerker Raad voor Kinderbescherming verricht nevenactiviteiten

Plaats en datum: Centrale raad van Beroep, 5 januari 2012

URL: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0801

Betrokkene werkte sedert 1997 als coördinator taakstraffen bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), regio Limburg. Vanuit die functie was hij verantwoordelijk voor het (doen) uitvoeren van leer- en werkstraffen aan minderjarigen, die een taakstraf kregen opgelegd. Die taakstraffen werden niet door de RvdK zelf uitgevoerd, maar door externe leveranciers. Betrokkene verzorgde ook de inschakeling van externe leveranciers en zocht projecten om opgelegde werkstraffen te kunnen uitvoeren.

Vanaf 1998 had betrokkene toestemming van de RvdK om, op beperkte schaal en buiten de regio Limburg, nevenwerkzaamheden voor een tweetal externe leveranciers van de RvdK te verrichten. In 2003 is betrokkene, samen met de heer G en mevrouw W, [handelsnaam] begonnen, een bedrijf dat onder meer binnen de eigen regio van betrokkene als externe leverancier projecten uitvoerde. In 2005 zijn betrokkene en mevrouw W een vennootschap onder firma aangegaan, genaamd [naam]-vof. Als vennoot van [naam]-vof heeft betrokkene ook werkzaamheden uitgevoerd binnen de regio Limburg van de RvdK. 

In 2006 is binnen de RvdK geconstateerd dat de nevenwerkzaamheden van betrokkene conflicteren met zijn functie bij de RvdK en is betrokkene voor de keuze gesteld om ofwel te stoppen met zijn werkzaamheden als coördinator taakstraffen dan wel zijn betrokkenheid als vennoot bij en zijn trainingsactiviteiten voor [naam]- vof te beëindigen. Hierop heeft betrokkene bij brief van 14 november 2006 medegedeeld, dat hij per 7 november 2006 uit de vof is gestapt en dat hij na 1 januari 2007 geen enkele zakelijke bemoeienis meer zou hebben met [naam]-vof. Verder had betrokkene op zijn werk de afspraak gemaakt alleen nog zaken in behandeling te nemen die geen relatie met [naam]-vof zouden krijgen. Trainingen zou betrokkene alleen nog op persoonlijke titel en buiten de regio Limburg geven. Voor het geven van die trainingen, volgens opgave van betrokkene gedurende 6 tot 8 uur per week, heeft de regiodirecteur Limburg op 18 januari 2007 aan betrokkene, in afwachting van nieuwe regelgeving met betrekking tot nevenwerkzaamheden, tijdelijk toestemming verleend.
Bij brief van 25 maart 2008 is betrokkene ervan in kennis gesteld dat een extern onderzoek uitgevoerd zou gaan worden naar mogelijke belangenverstrengeling en/of plichtsverzuim vanuit zijn functie. In het kader van dit onderzoek, dat is uitgevoerd door KPMG, heeft er op 22 april 2008 een gesprek plaatsgevonden met betrokkene. Met ingang van 25 april 2008 is betrokkene buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend en vanaf 24 juli 2008 is betrokkene in het belang van de dienst geschorst. Op 18 augustus 2008 heeft KPMG het eindrapport uitgebracht. Naar aanleiding van de bevindingen van KPMG heeft er daarna nog verder intern onderzoek plaatsgevonden.
Bij besluit van 15 december 2008 is betrokkene primair met ingang van 18 december 2008 de straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l van het ARAR opgelegd. Subsidiair is betrokkene op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR ontslagen op grond van ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
Betrokkene wordt het volgende verweten:
(a)  het uitoefenen van per 1 januari 2007 verboden nevenwerkzaamheden voor [naam]-vof; 
(b)  het doen van een onjuiste opgave van het aantal uren nevenwerkzaamheden over de jaren 2005 tot en met 2007;
(c)  het uitoefenen van nevenwerkzaamheden tijdens ziekte in de jaren 2005 tot en met 2008; 
(d)  het voeren van een onjuiste verlofurenregistratie over de jaren 2005 tot en met 2007; 
(e)  het indienen van onjuiste onkostendeclaraties over de periode december 2004 tot en met februari 2008;
(f)  het ontvangen van betalingen voor trainingen die zijn uitgevoerd door een collega.

Op grond van artikel 61, vierde lid, van het ARAR is het de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

Ten aanzien van de door betrokkene na 1 januari 2007 verrichte werkzaamheden merkt de Raad op dat betrokkene in zijn verklaring van 22 april 2008 heeft erkend, dat hij na 7 november 2006 nog betrokkenheid heeft gehad bij [naam]-vof. Zo heeft hij geld overgemaakt van de rekening van die vof naar zijn eigen bankrekening, heeft hij andere betalingen verricht en heeft hij met het bankpasje van [naam]-vof geld opgenomen. Ook heeft betrokkene als coördinator taakstraffen nog opdrachten verstrekt aan [naam]-vof. Ter zitting heeft betrokkene de inhoud van die verklaring niet bestreden. 

Evenals voor de rechtbank staat voor de Raad voldoende vast dat betrokkene vanaf januari 2007 verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht, dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim betrokkene geheel is aan te rekenen. Eveneens deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat ook de overige aan betrokkene verweten gedragingen zijn komen vast te staan en zijn aan te merken als plichtsverzuim. Evenmin als de rechtbank acht de Raad aannemelijk dat deze gedragingen slechts zijn terug te voeren op een gebrekkige administratie van zowel betrokkene als de minister. 

Gezien de aard en de ernst van de verweten gedragingen, in zijn totaliteit bezien, acht de Raad de straf van ontslag daaraan niet onevenredig. De verweten gedragingen stroken niet met de door betrokkene in zijn functie te dienen doelen, namelijk jongeren door middel van een taakstraf te doen leren van hun fouten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

 
 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid