Medewerker Onderhoud en Riolering bij Waternet knoeit met dagstaten

Plaats en datum: rechtbank Amsterdam, 24 november 2011

URL: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU8422

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft werkgever belanghebbende wegens ernstig plichtsverzuim op grond van het bepaalde in artikel 7.1.2, eerste lid, aanhef en onder j SAW met ingang van 1 juli 2010 de straf van ongevraagd ontslag opgelegd uit zijn functie van medewerker Onderhoud en Riolering bij Waternet.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of werkgever terecht en op goede gronden aan belanghebbende met ingang van 1 juli 2010 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag heeft opgelegd.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 
Belanghebbende is sinds 1 januari 1997 bij werkgever dan wel de rechtsvoorgangers van werkgever in dienst. Belanghebbende was aangesteld als medewerker Onderhoud en Riolering en ingedeeld bij de Avond- en Wachtdienst. Er werd gewerkt met twee wagens, zodat alle voorkomende werkzaamheden aan het rioolstelsel van Amsterdam kunnen worden verricht. De werkzaamheden vonden plaats aan de hand van door de opzichter uitgereikte werkorders. Het bijhouden van de administratie ten behoeve van beheer en facturering maakte eveneens deel uit van de werkzaamheden. De uitgevoerde werkzaamheden en de daarmee gemoeide tijd werden verantwoord op een dagstaat (groene kaart/blauwe kaart). In geval van het oplossen van calamiteiten werden de werkzaamheden via een aparte administratieve route verantwoord omdat deze werkzaamheden soms aan derden kunnen worden gefactureerd. Aan de hand van de blauwe en groene kaarten werden de werkzaamheden ingevoerd in het All Solutions systeem, het systeem dat de werkzaamheden verantwoordt en managementinformatie genereert. Met betrekking tot het voertuiggebruik en de rijpatronen heeft werkgever alle medewerkers van Onderhoud bij brief van 11 juni 2002 gewaarschuwd. Bij brief van 6 maart 2006 heeft werkgever alle medewerkers van Onderhoud laten weten dat geconstateerd is dat pauzes niet waren afgestemd met de afdeling. Aangegeven is dat dit gedrag niet kan worden getolereerd.

De rechtbank is op basis van de gedingstukken en het onderzoek ter zitting van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen, dat in de door werkgever gecontroleerde periode de door belanghebbende op de dagstaat genoteerde werkzaamheden niet of niet volledig overeenkwamen met de uit het rittenregistratiesysteem verkregen gegevens. Naast het feit dat belanghebbende heeft erkend dat tijdens diensttijd een aantal privé zaken hebben plaatsgevonden, heeft belanghebbende voor de door werkgever geconstateerde discrepantie tussen de dagstaten en de rittenregistratie een aantal verklaringen gegeven. Allereerst heeft belanghebbende gesteld dat hem niet alle door werkgever verzamelde gegevens ter beschikking zijn gesteld, waardoor belanghebbende is belemmerd in het voeren van adequaat verweer. Verder heeft belanghebbende gesteld dat het verantwoorden van de werkzaamheden werd gedaan op een wijze die al jaren gebruikelijk was. Door het management werd deze schrijfwijze niet gecorrigeerd. Tenslotte heeft belanghebbende betoogd dat de discrepantie tussen dagstaten en rittenregistratie is veroorzaakt door de uitvoering van preventieve werkzaamheden, die niet op de dagstaten werden verantwoord. Het niet overeenkomen van de adressen op de werkbonnen met de adressen van de ritgegevens, komt door het feit dat het preventieve werk als zodanig niet beschreven hoefde te worden in verband met administratieve rompslomp. Tijdens het rijden naar een werkopdracht werden preventieve werkzaamheden uitgevoerd, die niet werden ingevuld op de dagstaten.

Belanghebbende heeft in ieder geval gedurende de door werkgever gecontroleerde periode zijn werkzaamheden niet verantwoord op een wijze die van hem mocht worden geëist. Door de wijze van registreren en verantwoorden van zijn werkzaamheden heeft belanghebbende zich willens en wetens aan controle door werkgever onttrokken. Dit ondanks het feit dat belanghebbende zich op meerdere momenten bewust had kunnen worden van de door werkgever geëiste werkwijze. Daarmede heeft belanghebbende zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en heeft belanghebbende zich - verwijtbaar - schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 7.1.1, van het SAW. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat dit plichtsverzuim belanghebbende niet of in verminderde mate kan worden aangerekend, zijn niet gesteld of gebleken. Vaststaat dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Werkgever was dan ook bevoegd belanghebbende disciplinair te straffen.

Vervolgens is de vraag aan de orde of werkgever in redelijkheid heeft kunnen besluiten belanghebbende op grond van dat plichtsverzuim de in artikel 7.1.2, eerste lid, aanhef en onder j, van de SAW genoemde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat belanghebbende de afgelopen jaren regelmatig is geconfronteerd met de door werkgever verlangde wijze van uitvoering van zijn werkzaamheden. Ondanks die signalen heeft belanghebbende volhard in een wijze van werken die een volledige controle door werkgever onmogelijk heeft gemaakt. Als gevolg van de door belanghebbende gehanteerde werkwijze heeft belanghebbende structureel tijdens diensttijd activiteiten kunnen verrichten die geen relatie met zijn werkzaamheden hadden. Hoewel nadrukkelijk niet is vastgesteld dat belanghebbende tijdens diensttijd uit persoonlijk gewin niet door werkgever opgedragen werkzaamheden heeft verricht, moet worden vastgesteld dat belanghebbende, door te volharden in de door hem gehanteerde werkwijze, het vertrouwen, dat werkgever in belanghebbende als betrouwbaar en integer medewerker mocht en moest kunnen stellen, op onaanvaardbare en onherstelbare wijze heeft geschonden. 

Voorts dient de rechtbank te beoordelen of de aan belanghebbende opgelegde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank ziet in de gevolgen van die straf voor belanghebbende en zijn gezin geen grond voor het oordeel dat de strafoplegging de rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan. Voor de rechtbank is zwaarwegend dat belanghebbende in een functie met een grote mate van zelfstandigheid werkzaam was. Gelet op die zelfstandigheid mocht werkgever hoge eisen stellen aan de betrouwbaarheid en integriteit van belanghebbende. Nu belanghebbende niet aan de door werkgever gerechtvaardigd gestelde eisen heeft kunnen dan wel willen voldoen, moet de straf van ongevraagd ontslag als evenredig aan het plichtverzuim worden aangemerkt.

 
 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid