De betrokken ambtenaar was werkzaam als [naam functie] van het [afdeling] bij de [naam dienst] van het (inmiddels geprivatiseerde) Gemeentelijk Vervoerbedrijf (GVB) van Amsterdam. Op 31 mei 2006 heeft mevrouw I, die per 1 mei 2006 boventallig was verklaard als medisch secretaresse bij voormeld secretariaat, een klacht tegen betrokkene ingediend, inhoudende dat hij haar op allerlei wijzen met seksueel getinte en racistische opmerkingen had geshockeerd, dat hij haar bij haar borst had vastgepakt en herhaaldelijk had gevraagd met hem naar bed te gaan en dat hij haar een buitenlander had genoemd die, als moslimvrouw, bij schapenneukers, varkens en varkensneukers hoorde. In opdracht van de directeur P&O heeft de Klachtencommissie ongewenst gedrag (hierna: Klachtencommissie) deze klacht onderzocht. Op 8 augustus 2006 heeft deze commissie een rapport uitgebracht van het door haar gehouden onderzoek en daarin geconcludeerd, dat de klacht gegrond is wat betreft een aantal door I gestelde seksueel getinte opmerkingen alsmede ongepaste opmerkingen die gerelateerd kunnen worden aan de Islamitische cultuur en ongegrond is wat betreft de door I gestelde fysieke aanrakingen. Naar aanleiding van dit rapport heeft de werkgever betrokkene bij besluit van 10 augustus 2006 met onmiddellijke ingang geschorst met toepassing van artikel 912, tweede lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Nadat de werkgever zijn voornemen daartoe aan betrokkene had kenbaar gemaakt en deze daarop had gereageerd, heeft de werkgever betrokkene bij besluit van 13 december 2006 primair ingaande 13 december 2006 strafontslag verleend met toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARA en subsidiair ingaande 1 maart 2007 ontslag verleend wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, met toepassing van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA.

Gelet op een en ander concludeert de CRvB dat betrokkene zich wel aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Dit geldt temeer nu, nadat omstreeks 1996 ernstige misstanden bij het GVB waren geconstateerd, in een aantal jaren een cultuuromslag is tot stand gebracht waarbij niet alleen integriteit maar ook goede omgangsvormen centraal stonden. Genoemd plichtsverzuim is echter niet van (zeer) ernstige aard. Het betrokkene opgelegde strafontslag is zonder meer niet als evenredig aan dit verzuim te beschouwen.
De CRvB is van oordeel dat voor ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid geen goede grond aanwezig. Een dergelijk ontslag had ook niet mogen plaatsvinden dan nadat betrokkene op zijn gedrag was aangesproken en hij de gelegenheid had gekregen dit bij te stellen.

Centrale Raad van Beroep, 22-01-2009
07/4640 AW + 07/5366 AW

LJN: BH1954

 
 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de nieuwsbrief IntegriteitOverheid