Disciplinair ontslag en financiële aanspraken bij ziekte van betrokkene als rechterlijk ambtenaar en als gewezen rechterlijk ambtenaar

De betrokken ambtenaar is vanaf 1975 lid geweest van het openbaar ministerie en was laatstelijk advocaat-generaal.

De betrokken ambtenaar is vanaf 1975 lid geweest van het openbaar ministerie en was laatstelijk advocaat-generaal. In 2007 is uit justitieel onderzoek de verdenking gerezen, dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. In een zienswijzegesprek van 20 september 2007 heeft betrokkene, in aanwezigheid van een advocaat, onder meer gemeld dat hij thuis een dossier had dat hij daar niet had mogen hebben. Hij wilde in dat dossier iets uitzoeken en daarbij had hij gehandeld in strijd met zijn bevoegdheden, bijvoorbeeld door met misbruik van die bevoegdheden kentekens, telefoonnummers, persoonsgegevens en foto's op te vragen. In deze kwestie heeft hij buiten alle gebruikelijke kanalen om opsporingsonderzoek verricht met betrekking tot een wellicht in Macau te achterhalen bankrekening van 125.000.000,- dollar. Betrokkene had een belofte aangenomen van 25% beloning bij opsporing van dat banksaldo.
In een telastelegging van 8 oktober 2008 is betrokkene deze handelwijze verweten. Daarnaast zijn hem nog verwijten gemaakt van valsheid in geschrift en oplichting van een verzekeringsmaatschappij. Voor al deze feiten is betrokkene ook strafrechtelijk vervolgd. In hoger beroep is betrokkene hiervoor bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 juni 2010 strafrechtelijk veroordeeld. Tegen dat arrest heeft hij beroep in cassatie ingesteld. De aan betrokkene verweten gedragingen zijn alle opgenomen in het besluit van 20 april 2009 waarbij aan betrokkene met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag is opgelegd.

Gelet op de aard en ernst van het hier besproken plichtsverzuim - een zeer ernstige schending van de ambtelijke integriteit - en gelet op de bijzondere positie van betrokkene, van wie onder onder alle omstandigheden een grote mate van integriteit moet worden verwacht, beantwoordt de CRvB de vraag of de straf van ontslag niet onevenredig is aan dat plichtsverzuim, bevestigend. Zelfs als wordt meegegaan met de stelling van betrokkene dat het heeft ontbroken aan begeleiding door zijn werkgever in tijden dat dit geboden was, kan daaraan niet een zodanig gewicht worden toegekend dat het strafontslag onevenredig moet worden geacht. Gegeven dit oordeel kan en zal de CRvB de betekenis van het betrokkene verder verweten plichtsverzuim onbesproken laten.

Centrale Raad van Beroep, 04-11-2010
10/440 AW + 10/441 AW + 10/5008 AW

LJN: BO3701